Laren Fabel – over winkels,namen en wat blijft

Laren dierendorp – een fabel over winkels, namen en wat blijft

Door Brinkhuis Huisschrijver: Willem Jan van den Brink nav de ‘Vertel eens over Vroeger’ middag in het Brinkhuis op 23 april 2026

Duik in ‘Laren dierendorp’: een sfeervolle fabel van Willem Jan van den Brink over winkels, bekende familie-namen en de levende herinneringen van Laren.

Er was eens..

Er was eens een dorp dat zichzelf heel gewoon vond. Het lag keurig tussen hei en brink, kerk en lanen, en het heette Laren. De mensen die er woonden, liepen dagelijks langs de winkels, dronken koffie, kochten brood, kaas, paling, sigaren en poffertjes, en dachten daar verder niet al te veel bij na. Maar op een vroege ochtend, toen de mist nog als een dun gordijn boven de Brink hing, gebeurde er iets bijzonders.
Uit de Burgemeester Van Nispenstraat huppelde een Konijn tevoorschijn. Niet zomaar een konijn — een banketbakkerskonijn, met poedersuiker op zijn snorharen en een geur van vers gebak om zich heen. ‘Kom,’ zei hij. ‘We maken vandaag een wandeling door Laren. Niet zoals mensen dat doen, haastig en met boodschappenlijstjes. Wij kijken naar wat zij zijn vergeten.’

De haas, het paard en het kikkertje

Bij nummer 1 stond De Haas al klaar, sigaar achter zijn oor, gezicht ernstig — zoals hazen dat kunnen hebben wanneer ze weten dat zij al heel lang ergens horen.
‘Ik verkoop nog altijd rookwaren,’ zei hij trots. ‘En vroeger zat hiernaast de wijnhandel van mijn oom. Ook een Haas. Wij hazen zijn niet alleen snel. Wij blijven ook graag in de familie.’

Samen staken ze over naar de oudste kroeg van het dorp: Het Bonte Paard. Dat stond breed en tevreden voor zijn eigen deur. ‘In mijn stal,’ zei het Bonte Paard, ‘hebben mensen gelachen, gezwegen, gedronken en zorgen vergeten. Een dorp zonder kroeg is als een paard zonder hoeven.’

Uit het Brinklaantje fladderde plots een vogel nader. ‘Beo!’ riep Konijn. Maar de vogel schudde zijn kop. ‘Misverstand. Ik ben geen vogel. Ik ben BEO: Brink en Omstreken. Een snackbar met veren in de naam, maar niet in de pan.’ Iedereen lachte — behalve De Haas, die vond dat men voorzichtig moest zijn met woordspelingen. Op de hoek van de Naarderstraat zat een klein dier op een denkbeeldige lelie: Het Kikkertje, ooit eigenaar van een antiekwinkel. ‘Ik verkocht geen vliegen,’ zei hij, ‘maar oude spullen met een ziel. Mensen noemen iets oud wanneer zij de verhalen er niet meer bij horen.’

Valk en Koekkoek

Via de Cornelis Bakkerlaan trok het gezelschap naar de Brink en sloeg linksaf de Torenlaan in. Op nummer 8 zat De Valk op een kerkboek, rozenkrans in de ene klauw, rookwaar in de andere.
‘Ik vloog tussen hemel en aarde,’ zei hij. ‘Kerkboeken voor het hogere, sigaren voor het aardse. Mensen hebben nu eenmaal beide nodig.’
Op het Krommepad klonk het plotseling: koekoek, koekoek. Groenteboer Koekkoek stond daar, prei onder zijn arm. ‘Ik riep nooit de tijd,’ zei hij. ‘Maar ik wist wel wanneer de bloemkool goed was.’

Even verderop bromde een oude motor. Van Baars, ooit van de autogarage, poetste zijn vingers aan een olievlek. ‘Ook een vis kan verstand hebben van wielen,’ zei hij. ‘Je hoeft niet op je naam te lijken om je vak te verstaan.’ Bij nummer 34 verschenen de gebroeders De Leeuw, groot en gul, tussen kazen, boter en eieren. ‘Wij waren geen roofdieren,’ gromden zij vriendelijk. ‘Wij deden in zuivel. Een leeuw kan ook boterzacht zijn.’

Terug bij ’t Rijtje blonk in het middelste winkeltje groentejuwelier Van Mossel. Hij lag niet in zee, maar tussen appels, wortels en kroppen sla. ‘Een groentejuwelier,’ fluisterde Het Kikkertje bewonderend. ‘Dat is iemand,’ zei Van Mossel, ‘die weet dat een radijs ook kan schitteren.’
Aan de Kerklaan stond het huis Werk en Rust, gebouwd door Jan Koekkoek. De dieren zwegen even. Sommige huizen hebben geen uithangbord nodig. Ze dragen hun naam als een gedachte.
Op de Brink, bij nummer 23, sleutelde Vos aan een fiets. ‘Mijn slimheid zat niet in streken,’ zei hij. ‘Mijn slimheid zat in repareren wat anderen al hadden afgeschreven.’

Zwanen en Mollen

Daarna ging de tocht langs het Brinkhuis en de Sint Jansbasiliek richting het Zevenend. Bij Van der Zwaan, de slager, heerste een sierlijkheid die je er niet op het eerste gezicht zou verwachten.
‘Wie Zwaan heet,’ zei hij waardig, ‘moet zijn messen extra netjes slijpen.’

Bij de Zevenderdrift zat Mol in zijn delicatessenwinkel. Hij stak een paling omhoog boven de toonbank. ‘Tijdens de kermis,’ zei Mol, ‘wisten de mensen mij blindelings te vinden. Dat past wel bij een mol.’ Verderop riep opnieuw een Koekkoek — ditmaal vanuit een slagerij. De dieren begonnen te vermoeden dat sommige namen in Laren niet één keer voorkwamen, maar als echo’s door het dorp vlogen.
Via het Wagenpad kwamen ze op de Melkweg. Daar troffen zij opnieuw Van der Zwaan en Van Mossel, alsof het dorp besloten had dat bepaalde dieren op meerdere plekken tegelijk nodig waren.
Op de hoek van de Schapendrift zat nog een Van Mossel. ‘Hoeveel mosselen zijn er eigenlijk in Laren?’ vroeg De Haas. ‘Genoeg,’ zei Van Mossel, ‘om het dorp van groente te voorzien.’

Aan de Kloosterweg, tegenover de Kostverloren, klonk plots gezang. Daar had ooit speeltuin De Merel gelegen. ‘Kinderen,’ zong zij, ‘zijn de enige bezoekers die een speeltuin nooit gewoon vinden. Zij zien in een schommel nog een schip, in een zandbak een woestijn, en in een glijbaan een afdaling naar avontuur.’ Langs de Hilversumseweg verkocht Ruud Van Mossel in de zomer fruit aan bermtoeristen. ‘Zelfs langs de weg,’ zei het Bonte Paard, ‘werd Laren gevoed.’

Bij nummer 19 knikte firma Schimmel Electra plechtig — een wit paard met vonkjes in de manen. ‘Ik breng licht,’ zei Schimmel. ‘En soms is dat genoeg om een winkel de toekomst in te trekken.’

Vossen in Laren

Aan de Molenweg stonden de Vossen: Gert Vos, de siersmid, en later Tim, zijn zoon, die ook het vuur beheerste. ‘Een vos met vuur,’ zei Konijn voorzichtig. ‘Dat klinkt gevaarlijk.’
‘Alleen voor wie geen vorm weet te geven aan zijn vonken,’ antwoordde Vos.

Aan de rechterkant stond de bruine kroeg De Bijenkorf te zoemen van verhalen. Geen bij was er te zien — maar dat hinderde niet. Sommige namen hoeven niet letterlijk te kloppen om waar te zijn.
Op de hoek van de Nieuweweg zwom Snoek voorbij in sportkledingwinkel Perla. Aan de overkant had Jan Koekkoek zijn slagerij, de eerste winkel in Laren met elektrisch licht.
‘Zie je wel,’ zei Schimmel, ‘zelfs een Koekkoek kan vooruitstrevend zijn.’
In de Winkelstraat troffen ze opnieuw Vos, ditmaal in kleding en meubels. De Haas zuchtte.
‘Ik raak de tel kwijt. Zijn er hier meer vossen, valken, leeuwen, zwanen, mosselen en koekkoeken dan mensen?’
‘Misschien,’ zei Konijn. ‘Of misschien onthouden mensen dieren beter dan mensen.’

Gouden Leeuw

Ten slotte keerden zij terug naar de Brink. Daar stond nummer 20, ooit De Gouden Leeuw. Ernaast zat juwelier De Valk, waar trouwringen werden gekocht, en daarnaast nog een De Valk, die brillen verkocht. ‘Een valk voor ringen,’ zei De Haas. ‘En een valk voor brillen.’ ‘De een,’ zei De Valk, ‘helpt mensen elkaar trouw te beloven. De ander helpt mensen elkaar beter te zien.’

Ze staken over naar de poffertjeskraam van Cornelis De Haan. Die kraaide niet, maar draaide poffertjes om met de waardigheid van een dorpsfilosoof.

Alle dieren gingen rond de kraam zitten. Konijn met zijn gebak. De Haas met zijn sigaar. Het Bonte Paard met zijn kroegwijsheid. De Leeuw met zijn kaas. Van Mossel met zijn groente. Van der Zwaan met zijn deftigheid. Mol met zijn paling. Vos met zijn smeedvuur. Koekkoek met zijn echo. De Valk met zijn scherpe blik. De Merel met haar lied. En De Haan met zijn poffertjes.
Toen zei Het Kikkertje:

‘Wat leren wij hier nu van?’ Iedereen zweeg. Toen sprak De Haas — langzaam, want hazen die lang ergens zitten worden vanzelf wijs: ‘Mensen denken dat een winkel verdwijnt wanneer de deur sluit, het bord wordt weggehaald en een nieuwe zaak erin trekt. Maar dat klopt niet helemaal. Een winkel leeft verder in de naam die mensen blijven noemen. In de route die iemand nog weet. In de zin: weet je nog, daar zat vroeger…’

‘En wij dieren?’ vroeg De Merel. ‘Wij dieren,’ zei Konijn, ‘zijn de geheime geheugensteuntjes van het dorp.’ De Haan draaide het laatste poffertje om en zei: ‘De les is eenvoudig. Wie door een dorp wandelt, moet niet alleen kijken naar wat er nú te koop is. Hij moet ook luisteren naar wat er nog rondloopt.’

En vanaf die dag liep niemand meer achteloos door Laren. Want achter elke gevel kon een dier schuilgaan, achter elke naam een familie, achter elke winkel een verhaal. En wie goed luisterde, hoorde op de Brink nog altijd, heel zachtjes: koekoek, koekoek — alsof het dorp zelf zei: vergeet niet wat hier geweest is. Want zonder herinnering wordt zelfs het mooiste dorp een etalage zonder ziel.

Willem Jan van den Brink
28 april 2026

Laren Fabel - Winkels met dierennamen